NIEUWSBRIEF

|

MEDIA

|

OVER ONS

|

CONTACT

|

 
WORD VRIJWILLIGER
DIENSTEN
ACTIVITEITEN
 

 
Recensies
 

Onbehagen


De score van onze recensent Chloé Coninckx:
    
 
 
Een uitgave van:
Ambo - Anthos
 
Jaar:
2017
 
ISBN:
9789026340789

Nieuw licht op de beschaafde mens.
 
Auteur: Patrick Loobuyck

 

In het essay Onbehagen. Nieuw licht op de beschaafde mens beredeneert Bas Heijne hoe het Westerse Verlichte wereld- en mensbeeld achterhaald is. Het optimistische, rooskleurige vooruitgangsdenken krijgt steeds meer te maken met enkele donkere kanttekeningen die de destructieve aard van de mens blootleggen. Heijne stelt zich de vraag of oprecht optimisme over de mens mogelijk is in een door pessimisme gekleurd wereldbeeld. Deze ambivalentie poogt hij te verklaren door een aantal contrasten te identificeren die inherent aanwezig zijn in onze hedendaagse samenleving. Hiervoor baseert hij zich (deels) op de beroemde verhandeling van Sigmund Freud uit 1930: Het onbehagen in de cultuur, en meer bepaald de passage betreffende het lust- en realiteitsprincipe. Het eerste verwijst naar het lustgevoel – of geluk – als het levensdoel van de mens. Het tweede stelt dat geluk het vermijden van ongeluk en onlust impliceert en houdt het lustprincipe in toom, conform de sociale verwachtingspatronen.

Vooreerst, meent Heijne, wordt het humanistische wereldbeeld dat gericht is op de mens en op menslievendheid steeds sterker tegenover een verwetenschappelijkt kader geplaatst. Dat laatste benadrukt de biologisch-evolutionaire aard van de mens en zijn oerdriften. Geestelijke vrijheid wordt daardoor een illusie. De mens wordt heen en weer geslingerd van een gevoel van geestelijke autonomie naar onveranderlijke determinatie, en dat zorgt voor een onbehaaglijk gevoel. In het verlengde daarvan kan een tweede punt aangehaald worden: de cultuur is louter gericht op het indammen van de oerdriften – waaronder geweld en agressie. Heijne stelt dat er bijgevolg een onoplosbare spanning is tussen het individu en de maatschappij. Het driftleven van de mens laat zich namelijk niet indammen aangezien hij getermineerd wordt door biologische beperkingen. Tegelijkertijd ligt het echter niet in de aard van de mens om zich bij die beperkingen neer te leggen. Hij heeft nood aan betekenis- en zingevende mythes die voorbij wetenschappelijke kennis gaan.

Een derde ambivalentie is het onbehagen dat de mens voelt wanneer hij zich niet langer subject maar object voelt. In een maatschappij die gekarakteriseerd wordt door globalisering, verwetenschappelijking en migratie, krijgen mensen het gevoel dat ze alle zelfbeschikking verliezen. Zij komen terecht in een identiteitscrisis. Racisme, terrorisme, xenofobie, homofobie, populisme, nationalisme en religieus radicalisme zijn daar de natuurlijke producten van en zijn in geen geval ontsporingen van onze cultuur. Heijne benadrukt het belang van de menswetenschappen om alsnog betekenis te geven aan het mens-zijn: “Een verhaal blijft nodig. Zonder verhalen – noem het mythes, noem het een godsdienst, noem het cultuur – kan een mens niet goed mens zijn” (65).

Heijne illustreert deze abstracte materie aan de hand van concrete, hedendaagse voorbeelden. Zo haalt hij de toenemende ontevredenheid over de EU aan, de Brexit, de overwinning van Trump en de terreuraanslag op Charlie Hebdo. Hij wisselt persoonlijke anekdotes af met filosofische mijmeringen, waardoor zijn betoog bijzonder vlot leest. Ook ondersteunt hij zijn stellingen met andere secundaire literatuur, zoals de werken van Yuval Noah Harari en Matthew B. Crawford. De titel van het essay kondigt aan dat er een nieuw licht geworpen wordt op het originele vertoog van Sigmund Freud, Het onbehagen in de cultuur. Heijne vermeldt dat Freuds psychoanalyse dikwijls op scepticisme en kritiek kan rekenen omwille van de twijfelachtige wetenschappelijke betrouwbaarheid, maar benadrukt de onschatbare filosofische waarde van zijn theorieën. Daarin kan ik hem alleen maar bijtreden. Echter, Heijne legt de concrete link met Freuds lust- en realiteitsprincipe pas in het tweede deel van zijn betoog. Het eerste deel lijkt daardoor slechts een opsomming van “wat er mis gaat in de wereld” en hoe dat verklaard kan worden.

De focus op Freud blijft in mijn ogen sterk onderbelicht; de lezer verwacht dat Het onbehagen in de cultuur als structurerende tool gebruikt zal worden, maar moet daarvoor lang op zijn honger blijven zitten. Het excerpt betreffende het lust- en realiteitsprincipe wordt bovendien pas helemaal aan het einde ingevoegd. Dat zou zeker reeds in het begin geïntroduceerd mogen worden zodat de lezer weet waar de auteur naartoe wil. Die concentreert zich overigens vooral op de minder rooskleurige aspecten van het lustprincipe, namelijk geweld en agressie, terwijl het concept tevens, en in eerste instantie, verwijst naar het levensdoel van de mens: gelukkig zijn (dat paradoxaal genoeg nooit bereikt kan worden).

Desondanks is het essay op bijzonder scherpe en intelligente manier geschreven, en getuigt het van een doordringend inzicht op de samenleving en maatschappelijk bepaalde denkbeelden. Heijne verwoordt het onbehagen in onze cultuur en zijn eigen onbehagen daarbij op een toegankelijke en begrijpelijke manier. De lezer kan daardoor zelf overgaan tot kritische reflectie – en dat lijkt me het belangrijkste doeleinde van Heijnes betoog.

 

 
 

Ons aanbod

Activiteiten
Diensten
Vrijwilligerswerking

Media

Publicaties
Filmpjes

Wie zijn we

Ons netwerk
Contacteer ons

Volg ons

Nieuwsbrief
Facebook

© huisvandeMens Brussel 2016